Verhalen

De grillen van meneer Van Soest

Meneer Van Soest kwam heel ziek binnen, net uit het ziekenhuis. Vervelende ziekte waar het verloop grillig van kon zijn. Hij keek een beetje benauwd, maar bleek zijn woordje klaar te hebben. De eerste keer vroeg hij om de plasbeker. Ik gaf hem die. Hij keek me bozig aan: ‘Ik ben een man, dus ik moet STAAN’! Ik barstte in lachen uit. Vanaf toen konden we het heel goed vinden. Een bereisde man, op flink hoge leeftijd, maar dat zag je niet zo aan hem. Na een paar dagen knapte hij op, las de krant en ging weer naar buiten. Hij was gescheiden en woonde alleen. In een gezellige buurt, want regelmatig kwamen twee buurvrouwen op bezoek. Die boden aan om voor hem te koken als hij weer thuiskwam. Thuiskomen dacht ik? Maar het ging steeds beter met hem. Hij had mooie verhalen. Bijvoorbeeld over Oost-Europa, zo’n 30 jaar geleden, of over Parijs, waar hij een tijd heeft gewoond. Het hospice werd voor hem meer een heel prettig hotel. Op een goede dag hoorde ik dat hij naar huis was gegaan.
En op een goede dag was meneer Van Soest weer terug. Het ging thuis niet meer, elke middag was hij wankel, hij was bang om te vallen. De hospice-arts had hem daarom een aantal dagen opgenomen, om te kijken wat er precies aan de hand was. Hij bleef deze keer vooral in bed en zag er slechter uit dan de vorige keer. Hij had veel moeite met de onvoorspelbaarheid van zijn ziekteverloop. En en passant merkte hij op dat hij ‘er geen zin meer in had’, in dit leven zo. ‘Maar ja, euthanasie doen ze hier niet.’. Hij praatte niet tegen mij leek het, maar tegen zichzelf. Bij de eerste opname accepteerde hij helemaal niet dat hij ziek was. Ik kreeg de indruk dat dit nu begon door te dringen. Dat beangstigde hem, zoals iedereen dat zou doen. Hij was erg zelfstandig, dan is het moeilijk om je over te geven aan zorg. Ook dit geldt voor iedereen, maar voor hem net iets meer.
We hadden enorm veel lol. Dit gold niet voor iedereen in het hospice! Vrouwen konden wel een potje breken, maar op mannen aan zijn bed had hij het niet zo. Daar was hij ook heel duidelijk in….
Tot het einde toe hield meneer Van Soest zijn kwajongensstreken. Er kwam een familielid dat hij liever niet zag (kennelijk). Ik vroeg of hij haar wilde ontvangen en hij zei met tegenzin ‘ja’. Hoorde ik later van mijn collega dat hij zich gewoon slapende had gehouden! Op een gegeven moment ging het heel snel slechter met hem. Binnen een paar dagen overleed hij.